De archeoloog:

Godinnenbeeldje

De Romeinen geloofden in veel verschillende goden. Jupiter was hun oppergod, Juno was zijn vrouw en Minerva, de godin van de wijsheid, hun dochter. Mars was van de oorlog en de landbouw, Venus van schoonheid en vruchtbaarheid, Mercurius ging over de handel en zo waren er nog veel meer.

In steden en bij forten stonden tempels waar de goden vereerd werden en mensen hadden thuis kleine altaartjes, waar zij konden bidden en offeren.

Het Romeinse gezag deed doorgaans niet moeilijk over de geloven van de volken die zij overwonnen. Zij mochten gewoon hun lokale goden blijven vereren. Vaak raakten inheemse en Romeinse goden en godinnen vermengd. Magusanus was bijvoorbeeld de hoofdgod van de Bataven. Hij veranderde in Hercules Magusanus.

Sommige lokale goden werden immens populair in het hele Romeinse rijk. De Egyptische godin Isis werd bijvoorbeeld ook in onze streken vereerd en de mysterieuze oosterse zonnegod Mithras kreeg aanhangers van Syriƫ tot aan Schotland.

De verering van de keizer was een belangrijk onderdeel van de Romeinse religie, zoals ook Athenaios vertelt. Veel keizers en enkele van hun familieleden kregen na hun dood een goddelijke status en werden dan ook als zodanig vereerd. Terwijl de Romeinen best tolerant waren tegenover de godsdiensten van overwonnen volken, eisten ze wel dat iedereen meedeed aan de keizerverering. Daarom hadden ze problemen met de Joden en de Christenen, die weigerden een andere god te vereren dan hun eigen.

Langzamerhand veroverde het Christendom echter de wereld en in 380 na Chr. werd het de officiƫle Romeinse staatsgodsdienst.

Romeise tijd